De opera Carmen van Georges Bizet speelt zich af in Sevilla in de eerste helft van de 19e eeuw. Het verhaal begint bij een groep soldaten die hun tijd doden bij de kazerne. Daar verschijnt Micaëla, een jong meisje dat verliefd is op de soldaat Don José. Zij brengt hem een boodschap en een kus van zijn moeder. Even later verschijnt Carmen, een verleidelijke en vrije zigeunerin die in de sigarenfabriek werkt. Ze lokt de mannen met haar beroemde habanera en werpt uiteindelijk een bloem naar Don José, waarmee zij zijn hart verovert.
Korte tijd daarna ontstaat er een vechtpartij in de fabriek: Carmen verwondt een collega en wordt gearresteerd. Don José moet haar bewaken, maar zij verleidt hem om haar te laten ontsnappen. Daarmee zet hij zijn militaire carrière en eer op het spel. In de tweede akte treffen we Carmen in een herberg, waar ze met haar zigeunervriendinnen danst. Daar verschijnt ook de stierenvechter Escamillo, die indruk maakt op iedereen. Don José komt eveneens en kiest opnieuw voor Carmen boven zijn plicht, wat leidt tot een breuk met zijn oude leven.
In de derde akte zien we Don José volledig buiten de wet gaat leven. Zijn jaloezie groeit, zeker als hij merkt dat Carmen meer aandacht heeft voor Escamillo. Micaëla verschijnt nog één keer om hem over te halen terug te keren naar zijn moeder, maar Don José weigert en raakt steeds dieper in de greep van zijn hartstocht.
In de laatste akte staat de arena centraal, waar Escamillo een stierengevecht zal houden. Buiten het stadion ontmoeten Don José en Carmen elkaar voor het laatst. Don José smeekt haar om bij hem terug te keren, maar Carmen weigert en zegt dat ze liever vrij sterft dan onvrij leeft. Wanneer het gejuich uit de arena klinkt en Escamillo triomfeert, steekt Don José Carmen in een vlaag van wanhoop neer. Hij bekent meteen daarna de moord en geeft zich over.
